Chloé Lybaert
Taalvariatie in Vlaanderen: percepties van de gewone taalgebruiker
In de tweede helft van de 20ste eeuw kende Vlaanderen de opmars van tussentaal, een koinè die is gegroeid uit het contact tussen verschillende lokale en regionale taalvariëteiten. In de jaren 1960 en 1970 werd tussentaal beschouwd als een overgangstaal gesproken door mensen die er niet in slaagden om hun dialect te vervangen door het Standaardnederlands. In de jaren 1980 en 1990 werd duidelijk dat tussentaal geleidelijk aan uitgroeide tot de nieuwe variëteit voor informeel gesproken taalgebruik in Vlaanderen. Die evolutie heeft geleid tot verschillende reacties van taalkundigen. Tussentaal werd beschouwd als onaanvaardbaar en onnatuurlijk (zie ook Jaspers 2001). Pas rond de eeuwwisseling is een nieuwe generatie van taalkundigen erin geslaagd om de perceptie van tussentaal te veranderen: deze taalvariëteit wordt nu door taalkundigen doorgaans herkend als die gesproken taalvariëteit die geschikt is voor alle situaties, behalve de meer formele.
Tot nu toe werd echter steeds voorbijgegaan aan de perceptie en de attitude van de taalgebruikers zelf. Dit leidt tot betwistbare uitspraken over attitudes van Vlamingen. Er is dus nood aan onderzoek naar de perceptie en attitudes bij de gewone taalgebruiker, onderzoek dat te kaderen is in de ontwikkeling van “a general folk theory of language” (Preston 2002). Aan de hand van dit onderzoek willen we een antwoord bieden op drie vragen:
1. Hoe concipieert/percipieert de modale, niet taalkundig geschoolde jonge Vlaming de talige variatie in Vlaanderen op macro-niveau?
Hanteert de gewone taalgebruiker (nog) een bipolair model dialect-standaardtaal? Of hanteert de gewone taalgebruiker het beeld van een continuüm? Ziet die taalgebruiker tussentaal als een duidelijk herkenbare variëteit waar hij of zij voor kan kiezen? En is de standaardtaal dan een welomschreven variëteit daarnaast?
2. Welke kennis heeft de modale Vlaming van de talige variatie op micro-niveau?
Aan de hand van welke taalverschijnselen karakteriseert een taalkundige leek taalgebruik als standaardtalig, dialectisch of iets daartussenin? Baseert die leek zijn oordeel vooral op morfosyntactische kenmerken, of wegen fonologische en lexicale kenmerken even sterk of zelfs sterker door?
3. Hoe oordeelt de modale Vlaming vanuit die kennis/perceptie/conceptie van de talige micro- en macrovariatie in Vlaanderen over de geschiktheid van een bepaald soort taalgebruik voor bepaalde situaties?
Welke waarden, kenmerken en situaties associeert een taalgebruiker met bepaalde soorten taalgebruik?
Om deze vragen te beantwoorden, werd bij 80 informanten een kwalitatief interview afgenomen waarin werd gevraagd om een aantal geluidsfragmenten, gesproken in West-Vlaamse, Oost-Vlaamse, Brabantse of Limburgse tussentaal, te beoordelen. Voor de analyse zal een combinatie worden gebruikt van kwalitatieve en kwantitatieve onderzoeksmethoden.
KONINKLIJKE ZUID-NEDERLANDSE MAATSCHAPPIJ