Mathijs Duyck
Verhalenbundels als macrotekstuele narratieve structuren: theorievorming en toekomstperspectieven
Indien we blindelings aannemen dat een verhalenbundel niet meer is dan de som van zijn delen (nomen est omen…), gaan we voorbij aan een bijzonder divers en complex literair fenomeen. De verhalenbundel is immers vaak niet enkel een editoriaal maar ook een auctorieel project, waarbij bestaande teksten verenigd worden in een nieuwe narratieve structuur met een eigen betekenis, die niet noodzakelijk bestaat uit het aaneenrijgen van de betekenissen van de afzonderlijke verhalen. Voorbeelden zijn legio en vinden we terug in alle tijdperken en literaturen, van de Decamerone en de Canterbury Tales tot Dubliners van Joyce en Palomar van Calvino.
Het beschouwen van de verhalenbundel als een narratieve vorm op zich veronderstelt noodzakelijkerwijs het ontmaskeren van de valse synonymie tussen «roman» en «complexe narratieve structuur». We hebben hier immers te maken met een andere «complexe» verhalende vorm die zijn functioneren niet ontleent aan de roman, noch aan het kortverhaal, maar baseert op de combinatie van autonome vertellingen, die kan resulteren in een narratief parcours op macro-tekstueel niveau. Het hybride karakter van de verhalenbundel en de sterke codificatie van de twee genres waartussen hij zich bevindt, namelijk de short story en de roman, hebben pogingen tot beschrijving en verklaring van deze literaire vorm niet begunstigd. De verhalenbundel, die de laatste tijd aan populariteit blijft toenemen, blijkt echter een bijzonder persistent gegeven te zijn binnen het literaire spectrum en verdient derhalve onttrokken te worden aan de theoretische limbus waarin zij zich bevindt.
KONINKLIJKE ZUID-NEDERLANDSE MAATSCHAPPIJ