Samenvatting

Els Belsack
Over Groene en Witte Boekjes, CEO's, slimme mobieltjes en popie jopie-taal: hoe gaan kranten om met de taal als levend fenomeen?


Deze studie neemt de houding van kranten ten opzichte van taalvernieuwing onder de loep. Op basis van interviews met eindredacteurs en taaladviseurs werkzaam bij verschillende Vlaamse en Nederlandse redacties, gaat de auteur na hoe verschillende kranten omgaan met de taal als levend fenomeen. Daarbij wordt niet enkel de vergelijking tussen populaire en kwaliteitskranten gemaakt, maar worden ook de gelijkenissen en verschillen tussen de dagbladen van beide taalgebieden besproken. Verschillende aspecten van allerlei aard passeren daarbij de revue.

Allereerst komen de praktische omschakeling naar en de attitudes ten opzichte van de spellingshervorming van 2006 aan bod. Gezien de vlammen van de groen-witte spellingstrijd in Nederland nog steeds nasmeulen en zo het Nederlandse medialandschap in twee kampen opdelen, kon het contrast niet groter zijn met de situatie in Vlaanderen, waar alle kranten aanhangers van de groene spelling zijn.

Vervolgens bekijkt de auteur de houding ten opzichte van anderstalige woorden. Vooral de eventuele invloed van het Engels op de moedertaal blijkt daar een heet hangijzer te zijn. Betekent deze invloed immers een verarming of verrijking, en wat doe je als eindredacteur met zo’n termen: neem je ze over, vertaal je ze letterlijk of zoek je een gelijkaardig alternatief?

Door het vertalen of hertalen van anderstalige woorden en uitdrukkingen ontstaan bovendien nieuwe Nederlandse woorden. Dat wordt besproken in het derde hoofdstuk, dat geheel gewijd is aan neologismen. Waar sommige redacties nogal huiverig staan tegenover het overnemen van neologismen, daar zien andere redacties er absoluut geen graten in om zelf nieuwe woorden te creëren.

Sommige jongeren springen trouwens ook creatief en inventief met hun moedertaal om en ontwikkelen zo een zeer karakteristiek taalgebruik. In het vierde hoofdstuk brengt de auteur derhalve de standpunten omtrent jongerentaal in kaart. Dat men hier soms naar verwijst met ‘popie jopie-taal’, is alvast een indicatie dat niet elke taalverantwoordelijke staat te popelen om jongerentaal in de krant te laten verschijnen. Tot slot komen ook jargon en fenomenen als taalverruwing en modewoorden ter sprake.

De verschillende houdingen ten opzichte van taalvernieuwing kunnen niet enkel gesitueerd worden op de assen populair vs. kwaliteit en Vlaams vs. Nederlands. De opvattingen hebben immers evenzeer te maken met de functie die de krant zichzelf toedicht. Is het de bedoeling om als spiegel van de maatschappij ook het taalgebruik van de lezer te reflecteren? Of heeft een krant net een educatieve functie en moet ze haar lezer niet louter informeren over het reilen en zeilen in de wereld, maar daarnaast ook correct taalgebruik aanleren? Onder de verantwoordelijken op de verschillende redacties liepen de meningen alvast erg uiteen.